35 jaar SBN: Verhalen van leden van het eerste uur

35 jaar SBN: Verhalen van leden van het eerste uur

Dit jaar viert de SBN haar 35-jarig jubileum. Een mijlpaal die niet alleen draait om jaren, maar vooral om mensen, sportiviteit en onvergetelijke momenten. Om die reden gaan we terug naar het begin. Naar de eerste-uursleden die erbij waren toen survivalrun nog in de kinderschoenen stond. De komende weken delen we hun verhalen. Over hoe zij kennismaakte met de sport en waarom survivalrun hen nooit meer heeft losgelaten.

Harrie Posthumus (SBN-lidnummer 13)
“Ik ging daar helemaal naar de gallemiezen… maar het virus sloeg meteen toe.”

Hoe Harrie uiteindelijk SBN-lidnummer 13 heeft gekregen, is een bijzonder verhaal. “Eigenlijk zegt dat nummer zelf helemaal niks”, legt hij uit. “Er waren al een paar honderd mensen vóór mij volop met survivalrun bezig.” Dat hij uiteindelijk nummer 13 kreeg, had vooral met bijgeloof te maken. “Waarschijnlijk wilden leden voor mij niet het ongeluksnummer hebben.” Zelf zag hij het juist als een gelukje. “Evert van Benthem won de Elfstedentocht met startnummer 13, dus ik was er helemaal blij mee!”

Via zijn broer Theo kwam hij in aanraking met de sport. Zijn eerste run liep hij in 1997 in Roden, een eenmalige run. “Ik was nog een survivalrun-maagd en ging daar helemaal naar de gallemiezen”, vertelt hij eerlijk. “Maar het survivalrun-virus sloeg daar wel direct toe en heeft mij tot op de dag van vandaag niet meer losgelaten.”

Zijn mooiste survivalrun-herinneringen draaien om de sfeer. “De vriendschap, het samen afzien en elkaar aanmoedigen.” De wedstrijden waren meer dan alleen sportmomenten. “We trokken samen door heel Nederland en België naar survivalruns en elke wedstrijd had z’n eigen karakter.” Ook ging hij mee met de eerste jeugd en hun ouders. “De picknickmand ging mee en het was altijd een heel gebeuren.”

Survivalrun betekende voor hem vooral grenzen verleggen. “Ik liep altijd tegen mijn grenzen aan en ging ook wel eens flink op mijn bek en moest dan mijn bandje inleveren”, zegt hij met een knipoog. “Maar ik heb mijn grenzen leren verleggen en altijd veel plezier gehad.” Sommige momenten staan hem nog scherp bij. “Het abseilen in Gendringen en de brugsprong, met mijn hoogtevrees was dat meer dan een ‘dingetje’.” Juist dan maakte de sport het verschil: “Ik werd geholpen en aangemoedigd door mede-survivalrunners zodat ik de sprong toch waagde.”

Ook de beruchte Udenhoutse kilometers zijn hem bijgebleven. “Twaalf kilometer die er eigenlijk zeventien bleken te zijn. Elke run was weer een verrassing.” De regels waren nog niet zo strak, wat het avontuurlijk maakte. “Veiligheid stond voorop, dat wel.”

Wat hem nog steeds raakt? “De uitdagingen, de sportiviteit en het afzien.” Maar vooral ook wat het met anderen doet. “Het mooiste vind ik de jongeren die hun grenzen leren verleggen en het plezier en de voldoening bij recreanten.” Voor Harrie is het duidelijk: “Survivalrun is met afstand de mooiste sport die ik mij kan bedenken.”


Marcel Scholten (SBN-lidnummer 32)
“Dat moment dat je na al die kilometers en hindernissen de bel haalt, mét het bandje… dat gevoel is niet uit te leggen!”

Marcel Scholten was er al bij toen het allemaal nog moest beginnen. In 1988, bij die eerste slipjacht in Beltrum… daar stond hij al aan de start. Het idee kwam destijds onder andere van Eddy te Woerd, Stef Beunk en Jan Maarse: waarom zouden we de jaarlijkse vossenjacht niet aanvullen met natuurlijke hindernissen? Marcel blikt terug: “Dat wordt gezien als de allereerste survivalrun. Met een man of zestig stonden we daar, zonder enig idee wat ons te wachten stond en dat dit het begin zou zijn van een nieuwe, fantastische sport.”

Voor Marcel was het direct duidelijk: survivalrun is dé sport voor hem. Met zijn achtergrond in het hardlopen en wat ervaring op klimtoestellen had hij een basis, maar verder was survivalrun, en alle hindernissen die daarbij kwamen kijken, vooral een kwestie van ontdekken. “Je moest het gewoon ondergaan”, zegt hij met een glimlach. “En juist dat maakte het zo mooi. Je bent buiten, je wordt op alle vlakken uitgedaagd en er komt veel bij kijken: kracht, coördinatie, uithoudingsvermogen, techniek… alles komt samen bij survivalrun.”

Marcel had het survivalrun-virus al snel te pakken. Hij ging steeds vaker trainen en zocht zijn grenzen op, terwijl ook het aantal wedstrijden gestaag groeide. “In het begin speelde het zich vooral af in de Achterhoek: Beltrum, Zelhem, Dinxperlo, Gendringen, Neede en natuurlijk Udenhout. Maar daarna verspreidde het zich als een olievlek richting het noorden.” Marcel zag de sport groeien. De afstanden werden langer, de hindernissen steeds uitdagender en ook de trainingen serieuzer en gevarieerder. In totaal stond hij aan de start van meer dan 150 runs.

Als je Marcel vraagt wat survivalrun zo bijzonder maakt, hoeft hij niet lang na te denken. “Dat bandje”, zegt hij meteen. “Dat klinkt misschien simpel, maar daar draait het om. Finishen met dat bandje om je pols, dat is het mooiste wat er is.” De keren dat hij het bandje moest inleveren, kan hij zo terughalen. “Dat zijn er maar een paar. Eén keer bij een koppelrun, een keer in Neede in de jaren ’90 en vorig jaar nog in Beltrum, toen de weersomstandigheden zo zwaar waren.” Vooral die ene keer in Neede staat hem nog helder bij. “De dag erna ben ik niet op de fiets naar de training gegaan, zoals ik altijd deed. Nee, ik ben gaan hardlopen. Ik dacht: mijn bandje inleveren, dat gaat mij geen tweede keer gebeuren.” Hij lacht. “Dus dat betekende dat ik gewoon nóg harder moest trainen.”

En misschien typeert dat Marcel nog wel het meest: niet blijven hangen in een tegenslag, maar altijd doorgaan richting dat ene doel. “Dat moment dat je na al die kilometers en hindernissen de bel haalt, mét het bandje… dat gevoel is niet uit te leggen! En het mooie is: dat gevoel is na dertig jaar nog precies hetzelfde.”

En ondanks dat Marcel inmiddels ruim dertig jaar ouder is, is één ding niet veranderd: “Beltrum staat nog steeds elk jaar met dikke stift in mijn agenda. Daar wil ik gewoon aan de start staan.” Om dat te kunnen blijven doen, houdt Marcel zichzelf fit. “In de winter loop ik vaak drie keer per week hard en klim ik twee keer. In de zomer pak ik vaker de fiets.” Alles met één doel: “Zorgen dat ik die LSR in Beltrum nog gewoon kan doen.”